Oog in oog met Henri Cartier-Bresson, de fotograaf van de “inwendige stilte”

 

“Het oog van de eeuw” wordt hij ook wel eens genoemd. De Franse fotograaf Henri Cartier-Bresson legde een heel tijdperk vast op de gevoelige plaat. Hij richtte zijn Leica op de wereld en maakte honderden portretten van beroemdheden. Zijn blik is als een muggenbeet, die onverwacht en ongemerkt de intimiteit blootlegt …

 

Henri Cartier-Bresson (1908-2004) is ongetwijfeld een van de allergrootste fotografen. Als een mythische figuur oversteeg hij de dimensies van tijd en ruimte om met zijn scherpe blik de belangrijkste gebeurtenissen en figuren van de 20e eeuw te doorgronden. Vaak stond hij op de eerste rij, in de Verenigde Staten en tijdens de Spaanse burgeroorlog, toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen werd genomen of de begrafenis van Gandhi bijwoonde, in India en Japan, of in de Sovjet-Unie, waar hij de eerste buitenlandse fotograaf was aan het begin van de Koude Oorlog. Hij slaagde erin de wereld in één beeld te vatten, alleen maar gewapend met zijn camera, volgens hem een “instrument van intuïtie en onbevangenheid”.

Als adolescent gebruikte hij voor zijn eerste opnamen een Brownie Kodak, maar in zijn hele carrière vertrouwde hij op Leica (verschillende modellen, waaronder de M3). Hij vond een brandpuntsafstand tussen 35 en 70 mm optimaal en had een voorkeur voor 50 mm. Als diafragma koos hij f/8, voor een constante scherpte van 1 meter tot oneindig. Al zijn aandacht ging naar het kadreren en het “beslissende moment”, waarin hij een situatie vastlegt die de beweging van tijd en ruimte anders aan ons oog zou onttrekken.

Portrettengalerij in “Tête à tête”

Henri Cartier-Bresson genoot en geniet nog steeds wereldfaam. Aan zijn talent werd opnieuw hulde gebracht in de tentoonstelling “Tête à tête, Portraits” in de Portugese stad Porto. Ze was eerder al te gast in de National Portrait Gallery in Londen en in het najaar verhuist ze naar Ljubljana, in Slovenië. Deze tentoonstelling is een uitstekende gelegenheid om het gelijknamige fotoboek uit 1998 te herontdekken. Henri Cartier-Bresson zelf koos voor dit werk 121 portretten van bekende personen in zwart-wit. Het gaat om opnamen van de jaren 1930 tot het einde van zijn loopbaan. De beelden weerspiegelen de 20e eeuw en laten zien hoe rijk en gevarieerd zijn fotografisch werk is, als een ongelooflijke bijdrage tot het collectieve geheugen. De meester heeft het boek zelf zo samengesteld, dat de beelden met elkaar communiceren en de confrontatie aangaan, zodat composities, gebaren of uitdrukkingen met elkaar in dialoog gaan.

 

Bereidwillige slachtoffers

Marilyn Monroe, Coco Chanel, Jean-Paul Sartre, Henri Matisse, Simone de Beauvoir, Édith Piaf, Pablo Picasso, Robert Doisneau en de schilder en beeldhouwer Alberto Giacometti. Hij koos de geportretteerden zorgvuldig uit. Kunstenaars genoten zijn voorkeur. In deze portretten probeerde hij in één seconde “de eeuwigheid van een blik, de innerlijke stilte van een bereidwillig slachtoffer” vast te leggen. Hij betrapte Martin Luther King, voorovergebogen over documenten; de jonge en ernstige Truman Capote, helemaal omringd door planten; Robert Kennedy op een ligstoel, naast zijn zoon; de diepzinnig kijkende Albert Camus met een sigaret in de mond, of de schrijfster Colette, berekenend en listig, samen met haar huishoudster. Het is Henri Cartier-Bressson in deze 121 portretten niet zozeer om de gelaatsuitdrukking van deze vrouwen en mannen te doen, maar om hun diepe persoonlijkheid.

 

 

Als een muggenbeet

Hoewel de taferelen er lijken op te wijzen dat de fotograaf vertrouwd is met zijn onderwerp, vond Henri Cartier-Bresson dat een portret maken niet meer dan een kort beleefdheidsbezoekje van een vijftiental minuten moest zijn. Zonder te storen, “als een mug die zich klaarmaakt om te steken”. Stille dialogen met een “bereidwillig slachtoffer” waaruit de grote gevoeligheid van de fotograaf spreekt …Hij vond dat zijn onderwerpen moesten vergeten dat hij er was, om “de camera ongemerkt tussen hemd en huid te laten binnendringen, zonder pijn te doen”. Hij houdt het mysterie intact, neemt de twijfels niet weg over wat er zich afspeelt. In zijn intrigerende, altijd rake opnamen is de achtergrond bijna even belangrijk als de geportretteerden. Hun blik vlucht weg, ze kijken afwezig of betrapt, hun gebaren zijn onduidelijk. Het zijn even zovele gestolen momenten uit het leven van deze personen … Henri Cartier-Bresson verwoordde dit als volgt: “Fotograferen is een manier van leven. Foto’s maak je niet met een camera, maar door hoofd, oog en hart op één lijn te brengen.”